spacer

Het examen Tolk

Beschrijving van de onderdelen
Voorbereiding op de onderdelen
Beoordeling van het examen
Reglement en richtlijnen

Het examen Tolk wordt twee keer per jaar centraal afgenomen. Het is voor een deel mondeling en voor een ander deel schriftelijk. Het examen heeft steeds betrekking op twee talen: Nederlands (verplicht) en één van de vreemde talen Duits, Engels, Frans, Italiaans, Russisch en Spaans.

Voor het examen geeft de kandidaat aan welke van beide talen hij als A-taal en welke hij als B-taal wenst te zien aangemerkt. De A-taal is de taal waarin de kandidaat zich naar eigen gevoelen het beste uitdrukt. Het examen is zo opgezet dat het zoveel mogelijk de beroepspraktijk van de tolk benadert. Het complete examen bestaat uit de onderdelen Tolken en Maatschappijkennis. Het examenonderdeel Maatschappijkennis is gelijk aan dat van het examen Vertaler.

Het examenonderdeel Tolken wordt mondeling afgenomen. Het examen kan door een klein aantal belanghebbende toehoorders (bijvoorbeeld studenten of docenten van de onderwijsinstelling) worden bijgewoond. Een verzoek hiertoe kan uiterlijk 2 weken voor het examen schriftelijk worden ingediend bij het examenbureau, de Associatie voor Praktijkexamens (zie Adressen en de Regeling Toehoorders).

Om te slagen dient de kandidaat aan te tonen dat hij of zij over de kennis en vaardigheden van een basistolk beschikt.

Het onderdeel Tolken bestaat uit drie componenten: een consecutieve vertolking vanuit het Nederlands naar de vreemde taal, een consecutieve vertolking vanuit de vreemde taal naar het Nederlands en een onderdeel Gesprekstolken. Na een korte inleiding door de voorzitter van de examencommissie volgen de drie onderdelen elkaar zonder onderbreking op. Kandidaten kunnen bij aanvang van het examen aangeven met welk examenonderdeel ze willen beginnen.

Beschrijving van de onderdelen


Vertolking Vreemde Taal - Nederlands en Nederlands - Vreemde Taal
Deze onderdelen houden de consecutieve vertolking in van een voordracht, die zoveel mogelijk een geïmproviseerde, spontane spreektrant benadert. De voordracht is 3 à 5 minuten lang (350 tot 520 woorden) en vormt een gestructureerd betoog, dat onder meer cijfers, opsommingen, eigennamen en idiomatische uitdrukkingen kan bevatten. Inhoudelijk is de voordracht van algemeen maatschappelijk-informatieve aard en niet technischer dan in een gedegen dagblad gebruikelijk is. De examenopgaven voor de verschillende talen zijn gelijkwaardig voor wat betreft onderwerp, moeilijkheidsgraad en vorm. Elk onderdeel van de consecutieve vertolkingen duurt ongeveer 10 minuten (vertolking inbegrepen.)

Gesprekstolken Nederlands - Vreemde Taal en Vreemde Taal - Nederlands
Het onderdeel Gesprekstolken bestaat uit de vertolking van een dialoog van algemene aard tussen twee sprekers, die zich van een verschillende taal bedienen en geacht worden de taal van de gesprekspartner niet te begrijpen. De dialoog is van algemeen maatschappelijk-informatieve aard en bestaat in de regel uit korte mededelingen, vragen en antwoorden. Hierbij baseren de sprekers zich op een door de examencommissie voorbereide tekst met gesprekspunten, maar zij dienen tevens in te spelen op eventuele fouten, lacunes of onnauwkeurigheden in de vertolking. De kandidaat tolkt voor beide gesprekspartners en wisselt dus steeds van actieve taal. Bij het gesprekstolken richt de kandidaat zich tot de gesprekspartner voor wie hij op dat moment tolkt. De kandidaat dient actief in te spelen op de situatie en, evenals bij de consecutieve vertolkingen, blijk te geven van een correcte tolkhouding. Het onderdeel gesprekstolken duurt ongeveer 20 minuten (vertolking inbegrepen).

Voorbereiding op de onderdelen


Uiteraard worden eerst het onderwerp van de voordrachten en het gesprekstolken kort ingeleid. Vervolgens worden de consecutief te vertolken voordrachten in normale spreektrant voorgedragen op basis van notities. Gemiddeld duren deze voordrachten 5 minuten.

Het is van belang dat de kandidaat direct ingrijpt als hij of zij een technisch probleem heeft (akoestische problemen, storende geluiden, lichamelijke klachten, etc.) Eventuele vragen over de inhoud mogen aan het einde van de voordracht in de taal van de spreker gesteld worden. Indien er toehoorders zijn, richt de kandidaat zich bij het consecutief tolken tot het publiek. De kandidaten werken zittend en tolken in de eerste persoon. De kandidaten mogen naar eigen inzicht aantekeningen maken.

Van de tolkexamens worden door de examencommissie opnames gemaakt. Het is de kandidaten niet toegestaan eigen opnames te (laten) maken.

Beoordeling van het examen


Bij het examen worden vooral de praktische bruikbaarheid en doelmatigheid van de vertolkingen beoordeeld, zowel naar vorm als naar inhoud. De vertolkingen worden op twee manieren beoordeeld. Ten eerste wordt geluisterd naar de kwaliteit van wat is gezegd zonder rekening te houden met de opgave. Daarnaast wordt de vertolking vergeleken met de opgave, waarbij tevens de communicatieve functie van de tekst in aanmerking wordt genomen. De beoordeling vindt plaats door middel van een bonus/malus-systeem, waarbij de bereikte equivalentie- en doelmatigheidsgraad kunnen worden gewogen en beoordeeld.

Bonus/maluspunten kunnen worden gegeven ter beoordeling van (aspecten van) de (betoog)structuur en/of voor oplossingen op grammaticaal, lexicaal en/of stilistisch gebied, alsmede voor niet-talige aspecten van de vertolking. Bij de beoordeling van de vertolking worden zowel het weglaten van betekeniselementen als onnodige toevoegingen in principe negatief beoordeeld.

Bij de beoordeling van de vertolking wordt logischerwijs speciale aandacht besteed aan de aspecten tolkhouding en tolktechniek:

Wat de tolkhouding betreft, dient het optreden van de kandidaat professioneel en correct te zijn en niet als hinderlijk of storend te worden ervaren. De kandidaat moet zich ervan bewust zijn dat hij een bemiddelende functie heeft, terwijl hij ook nadrukkelijk aanwezig dient te zijn indien dat voor een goed begrip van de vertolking noodzakelijk is. De kandidaat richt zich op persoonlijke wijze tot de gesprekspartners, bijvoorbeeld door het regelmatig leggen van oogcontact en door zich niet te beperken tot het hardop lezen van de opgaven en/of van de zelf gemaakte notities.
Wat de tolktechniek betreft, dient de kandidaat zowel in het Nederlands als in de betreffende vreemde taal een goede luistervaardigheid (concentratie, analytisch vermogen, enz.) en taalvaardigheid te hebben. De kandidaat dient te beschikken over een genuanceerde woordkeuze, aangepast aan het onderwerp van de opgave en aan de beoogde gebruiker(s) van de vertolking. De uitspraak is algemeen beschaafd, maar mag een licht, niet storend accent vertonen. Articulatie, stemgebruik en stemvolume zijn zodanig dat de vertolking ook op enige afstand duidelijk verstaanbaar is. Het tempo van de vertolking is vlot en regelmatig, zonder veel aarzelingen of langere pauzes. De kandidaat dient stressbestendig te zijn en te beschikken over een zodanige zelfredzaamheid, dat hij niet struikelt over een hem onbekend woord of begrip. De kandidaat dient in staat te zijn aantekeningen te maken die hem helpen de vertolking juist en vloeiend te doen verlopen.
De kandidaat slaagt voor een onderdeel van het examen als zij of hij de boodschap van de spreker voldoende helder en volledig in de andere taal weergeeft.

Reglement en richtlijnen


Voor verdere informatie over de procedure rond de organisatie van de examens kunt u het Examenreglement raadplegen. De eisen waaraan de examens moeten voldoen en de wijze waarop examens worden beoordeeld, zijn vastgelegd in Richtlijnen. De wijze waarop een kandidaat bezwaar kan indienen tegen de uitslag van het examen is opgenomen in het Reglement Bezwaar- en Beroepsprocedure.