SNEVT - Stichting Nationale Examens Vertaler en Tolk

Richtlijnen Examen Tolk

 

Deze Richtlijnen zijn ondergeschikt aan het Reglement Examen Tolk van de SNEVT.

Overal waar sprake is van “hij”, “zijn” en “kandidaat”, wordt respectievelijk hij of  zij, zijn of haar en kandidaat of kandidate bedoeld.

 

1.  ALGEMENE ZAKEN

 

Globale beschrijving

Het examen Tolk wordt mondeling afgenomen, behalve het examenonderdeel Maatschappijkennis, dat schriftelijk wordt afgenomen. Het examen is zo ingericht dat het zoveel mogelijk de beroepspraktijk van de tolk benadert. Het is verdeeld in de examenonderdelen Tolken (A) en Maatschappijkennis (B), en beoogt de kandidaat te testen op zijn vermogen om accuraat en onder tijdsdruk een goede prestatie te leveren. Het examenonderdeel Tolken is verdeeld in drie onderdelen (A1, A2 en A3).

 

Eisen te stellen aan de examenkandidaat

De praktijkgerichte beheersing van de door de kandidaat als eerste taal aan te wijzen taal, in het vervolg A-taal genoemd, en de tweede taal, in het vervolg B-taal genoemd, de tolkvaardigheid en de kennis van de betreffende samenlevingen van de kandidaat dient naar het oordeel  van de onderwijsinstelling geen bezwaren op te roepen tegen deelname aan het desbetreffende examen of examenonderdeel. Is aan deze voorwaarden en aan mogelijk aanvullend te stellen eisen van de instelling voldaan, dan wordt door de aangesloten onderwijsinstelling ten behoeve van de kandidaat een Verklaring van geen bezwaar afgegeven*. De verklaring kan betrekking hebben op één of meer examenonderdelen.

 

*   zie Regelingen 'Verklaringen van geen Bezwaar' onderdeel van dit Reglement en Richtlijnen.

 

 

2.  DE EISEN TE STELLEN AAN DE EXAMENOPGAVEN

 

Algemeen

De opgaven voor het examenonderdeel Tolken (A1, A2 en A3) kunnen aanwijzingen bevatten omtrent register, toon en beoogde gebruiker(s) van de voordrachten. Zulke aanwijzingen zijn steeds dwingend en medebepalend voor het te behalen cijfer. De examenopgave bestaat voor alle gedeelten van examenonderdeel A uit een mondelinge voordracht die consecutief vertolkt dient te worden. Technisch gesproken is gesprekstolken de “korte” versie van consecutief vertolken; bij gesprekstolken wordt echter géén of een minimum aan aantekeningen gemaakt. Het onderwerp van elk van de drie gedeelten van examenonderdeel A wordt vóór  het begin van elk gedeelte kort aangekondigd.

Elk van de vertolkingen voor het examenonderdeel A neemt bij voorkeur minder tijd in beslag dan de desbetreffende voordracht, maar mag de duur van de voordracht in geen geval overschrijden. Dit geldt mutatis mutandis ook voor het gesprekstolken (A3), waar de voordracht van de korte dialoogbeurten ongeveer gelijk dient te lopen met de vertolking. Voor alle onderdelen van het examenonderdeel Tolken geldt dat indien de examencommissie zulks wenselijk acht, de kandidaat een korte lijst met (technische) termen ter hand kan worden gesteld. Voor alle examenonderdelen geldt dat het de kandidaat niet is toegestaan meegebrachte naslagwerken te raadplegen.

 

De examenopgaven voor Tolken worden in principe voorgedragen door ‘native speakers’, die respectievelijk het Nederlands of de desbetreffende vreemde taal als moedertaal hebben. Deze sprekers kunnen worden aangetrokken op voordracht van de examencommissie, en worden door de desbetreffende examencommissie vooraf geïnformeerd en geïnstrueerd.

 

A1: Vertolking VT ► NL

Dit onderdeel van het examenonderdeel Tolken houdt de consecutieve vertolking in van een voordracht, die een geïmproviseerde, spontane speektrant zoveel mogelijk benadert. De voordracht is 3 à 5 minuten lang (350 tot 520 woorden) en vormt een gestructureerd betoog, dat onder meer cijfers, opsommingen, eigennamen en idiomatische uitdrukkingen kan bevatten. Inhoudelijk is de voordracht van algemeen maatschappelijk -informatieve aard. De examenopgaven voor de verschillende talen zijn gelijkwaardig wat betreft onderwerp, moeilijkheidsgraad en vorm.

  

A2: Vertolking NL ► VT

Dit onderdeel van het examenonderdeel Tolken houdt de consecutieve vertolking in van een voordracht, die een geïmproviseerde, spontane spreektrant zoveel mogelijk benadert. De voordracht is 3 à 5 minuten lang (350 tot 520 woorden) en vormt een gestructureerd betoog, dat onder meer cijfers, opsommingen, eigennamen en idiomatische uitdrukkingen kan bevatten. Inhoudelijk is de voordracht van algemeen maatschappelijk -informatieve aard. Voor alle talen wordt in principe dezelfde examenopgave gebruikt.

 

A3: Gesprekstolken NL ► VT én VT ► NL

Dit onderdeel van het examenonderdeel Tolken houdt de vertolking in van een mondelinge dialoog van algemeen maatschappelijk -informatieve aard. De dialoog bestaat in de regel uit korte mededelingen, vragen en antwoorden. Hierbij baseren de sprekers zich op een door de examencommissie voorbereide tekst met gesprekspunten, maar zij dienen tevens in te spelen op eventuele fouten, lacunes of onnauwkeurigheden in de vertolking. Dit vereist enig improvisatievermogen van de sprekers, die, evenals de kandidaten, hierover vooraf worden geïnformeerd en geïnstrueerd. De sprekers wisselen elkaar af en nemen ieder ongeveer de helft van de tijd (5 minuten) voor hun rekening. Samen met de vertolking duurt het examengedeelte Gesprekstolken ongeveer 20 minuten. De examenopgaven zijn gelijkwaardig wat betreft onderwerp, moeilijkheidsgraad en vorm.

 

B:  Maatschappijkennis

De eisen voor dit examenonderdeel zijn identiek aan die zoals genoemd in de Richtlijnen voor het Nationale Examen Vertaler voor het examenonderdeel Maatschappijkennis.

 

 

3.  VASTSTELLING VAN DE EXAMENOPGAVEN

 

Algemeen

De werkzaamheden met betrekking tot de aanmaak en vaststelling van de examenopgaven worden geïnitieerd en gecoördineerd door de examencommissie of namens deze door de voorzitter van de commissie vaststelling opgaven Tolken in overleg met de voorzitter van de examencommissie, en vinden plaats volgens een per examenronde door de examencommissie op te stellen tijdsplan.

 

Examenopgave A (Tolken)

Aangezien de onderdelen A1, A2 en A3 individueel worden afgenomen, zal het aantal examenopgaven in hoge mate afhangen van het aantal examenkandidaten, zulks teneinde de vereiste geheimhouding te kunnen garanderen. Gelijke examenopgaven wat betreft Nederlands en/of de vreemde taal zijn uitsluitend mogelijk indien de examenkandidaten onderling geen contact kunnen hebben.

 

Per kandidaat worden twee voorstellen voor examenopgave A gedaan aan de examencommissie door elk van de examensubcommissies via de voorzitter van elke examensubcommissie. Indien vaststaat dat de kandidaten onderling op geen enkele wijze contact met elkaar kunnen hebben, kan worden volstaan met twee voorstellen per twee kandidaten. De examencommissie (of, onder haar verantwoordelijkheid, de subcommissie vaststelling opgaven in overleg met de voorzitter van de examencommissie) vergelijkt de per taal voorgestelde examenopgaven en stelt bij meerderheid van stemmen één van beide opgaven vast. Indien naar het oordeel van de examencommissie de examenopgaven niet vergelijkbaar zijn, dienen er door de examensubcommissies nieuwe voorstellen te worden ingediend.

 

Examenopgave B (Maatschappijkennis)

Zie hiervoor de Richtlijnen voor het Nationale Examen Vertaler.

 

 

4.  EISEN TE STELLEN AAN DE VERTOLKINGEN EN HET WERKSTUK VOOR MAATSCHAPPIJKENNIS

 

Algemeen

Het staat de kandidaat vrij om de opgaven voor de onderdelen A1 en A2 te vertolken met behulp van zelfgemaakte aantekeningen. Ook is het de kandidaat toegestaan om vóórdat hij de vertolking begint, de spreker aan het einde van de voordracht maximaal twee vragen te stellen. Deze vragen dienen steeds kort en doelgericht te zijn, en in de taal van de spreker te worden gesteld. De kandidaat dient direct na de voordracht of, indien van toepassing, direct na het stellen van de vragen, met de vertolking te beginnen.

De kandidaat dient binnen de tijd die het origineel duurde zijn vertolking te produceren. Eventuele correcties in de vertolking moeten duidelijk als zodanig kenbaar worden gemaakt door de kandidaat. Bij vertolkingen dient een goede verbale communicatie centraal te staan: de kandidaat richt zich dan ook tot de examensubcommissie tijdens de examenonderdelen A1 en A2 en tot de gesprekspartners tijdens het examenonderdeel A3. De kandidaat dient zich duidelijk verstaanbaar uit te drukken. De examensubcommissie kan tijdens de vertolking de kandidaat verzoeken duidelijk te spreken en/of een passage te herhalen.

 

A: Vertolking

Wat betreft de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de geproduceerde vertolkingen, wordt onderscheiden tussen een A-taal en een B-taal niveau, Dit is een normatief onderscheid, dat bepaald wordt door de mate waarin de vertolking in staat is te functioneren als zelfstandig professioneel product. De vertolking in de door de kandidaat als A-taal aangewezen taal dient te beantwoorden  aan de kwaliteitseisen op A-taal niveau. De vertolking in de door de kandidaat als tweede taal aangemerkte taal dient te beantwoorden aan kwaliteitseisen op B-taal niveau.

 

In de vertolking op A-taal niveau dient de betekenisinhoud van de voordracht juist, volledig en helder te worden weergegeven, dat wil zeggen de vertolking is niet alleen in principe grammaticaal foutloos, lexicaal nagenoeg foutloos en intern consistent, maar is tevens wat stilistische keuzes betreft optimaal toegesneden op de beoogde ontvanger(s) van de vertolking. Dit houdt in dat zowel inhoud, woordkeuze, uitspraak en presentatie zijn gekozen volgens de in de doeltaal en –cultuur gangbare normen.

 

Wat betreft de vertolking op B-taal niveau dient de betekenisinhoud van de voordracht juist, volledig en begrijpelijk te worden weergegeven, De vertolking bevat geen storende grammaticale en lexicale fouten en is wat betreft stijl, uitspraak en articulatie zonder problemen te begrijpen door de beoogde ontvanger(s) van de vertolking.

 

B: Maatschappijkennis

Zie hiervoor de Richtlijnen voor het Nationale Examen Vertaler.

 

 

5.  EISEN TE STELLEN AAN DE BEOORDELING VAN DE VERTOLKINGEN EN HET WERKSTUK VOOR MAATSCHAPPIJKENNIS

 

Algemeen

Bij de beoordeling van de (mondelinge) vertolkingen en (schriftelijke) werkstukken dient te worden gecontroleerd of deze voldoen aan de eisen die hierboven in paragraaf 4 zijn omschreven.

De examencommissie stelt van tevoren normeringspunten op. De vertolking/het werkstuk dat naar het oordeel van de examencommissie geheel voldoet aan de gestelde vereisten, wordt gehonoreerd met het cijfer 10.

 

Bij de beoordeling van de vertolkingen dient de communicatieve functionaliteit ervan, dat wil zeggen de bruikbaarheid en doelmatigheid van de door de kandidaat geproduceerde vertolkingen, steeds centraal te staan. De vertolking dient te worden beoordeeld als zelfstandig professioneel product en dient zonder reserves bruikbaar te zijn. Aangezien gebruikersgerichte adequaatheid grammaticale, lexicale enz. juistheid veronderstelt, maar door een complex van factoren wordt bepaald, is een globale en pragmatische beoordeling noodzakelijk, die tevens niet ten koste gaat van een contrastieve beoordeling, die zich meer richt op het detail.

Beide criteria, die elk weer onderverdeeld kunnen worden, dienen elkaar tijdens het beoordelingsproces aan te vullen. Doordat de vertolkingen  door meer dan één corrector/beoordelaar worden beoordeeld, wordt de objectiviteit van de beoordeling zoveel mogelijk gewaarborgd.

 

De onderdelen           Vertolking VT  ► NL (A1)

                                    Vertolking  NL ► VT (A2)

                                    Gesprekstolken NL ►VT én VT ► NL (A3)

 

De vertolkingen worden door de leden van de examensubcommissie beoordeeld volgens de hierboven beschreven algemene criteria. Beoordeeld worden de praktische bruikbaarheid en doelmatigheid van de vertolkingen, zowel naar vorm als naar inhoud. Hierbij wordt de functionele kwaliteit op eigen merites beoordeeld, hetgeen inhoudt dat er géén vergelijking plaatsvindt met de opgave. De corrector registreert al (her)luisterende zowel het vloeiende taalgebruik van de vertolkingen als ook de haperingen en problemen die hij tijdens het luisteren ondervindt. De positieve en negatieve punten die in dit aspect van de beoordeling worden aangetroffen in de betekenisoverdracht, kunnen verband houden met de communicatieve functie van de vertolking; zij kunnen (aspecten van) de (betoog)structuur betreffen; en/of zij kunnen liggen op grammaticaal, lexicaal en/of stilistisch gebied; en/of zij kunnen verband houden met niet-talige aspecten van de vertolking.

Daarnaast wordt de vertolking in detail vergeleken met de opgave, terwijl hierbij tevens de (expliciete of impliciete) communicatieve functie van de tekst in aanmerking wordt genomen. De corrector (her)beluistert en beziet de talige en niet-talige middelen die zijn gebruikt als vertolking van de in de opgave gebruikte talige en niet-talige middelen, en beoordeelt deze met name op hun effect op de beoogde gebruiker(s) (dus niet op de oorzaak). De beoordeling vindt plaats door middel van een bonus/malus -systeem, waarbij de bereikte equivalentie- en doelmatigheidsgraad inzake inhoud en taalgebruik kunnen worden gewogen en beoordeeld.

Bonus/malus -punten kunnen worden gegeven ter beoordeling van (aspecten van) de (betoog)structuur en/of voor oplossingen op grammaticaal, lexicaal en/of stilistisch gebied, alsmede voor niet-talige aspecten van de vertolking. Bij de beoordeling van de vertolking worden zowel het weglaten van betekeniselementen als onnodige toevoegingen  in principe negatief beoordeeld.

 

Bij de beoordeling van de vertolkingen wordt speciale aandacht besteed aan de aspecten presentatie en tolkhouding:

 

Presentatie en Tolkhouding

Het optreden van de kandidaat dient professioneel en correct te zijn en niet als hinderlijk of storend te worden ervaren. De kandidaat is zich bewust van het feit dat hij een bemiddelende functie heeft, maar dat hij ook nadrukkelijk aanwezig dient te zijn, indien dat voor een goed begrip van de vertolking noodzakelijk is. De kandidaat richt zich op persoonlijke wijze tot de gesprekspartners, bijvoorbeeld door het regelmatig leggen van oogcontact en door zich niet te beperken tot het hardop lezen van opgaven en/of  door hemzelf gemaakte aantekeningen.

 

De kandidaat dient zowel in het Nederlands als in de betreffende vreemde taal  te beschikken over een goede luistervaardigheid (concentratie, analytisch vermogen en taalvaardigheid). De kandidaat heeft een genuanceerde woordkeuze, aangepast aan het onderwerp van de opgave en aan de beoogde gebruiker(s) van de vertolking. De uitspraak is ‘algemeen beschaafd’, maar mag een licht, niet storend accent vertonen. Articulatie, stemgebruik en stemvolume zijn zodanig dat de vertolking ook op enige afstand duidelijk verstaanbaar is. Het tempo van de vertolking is vlot en regelmatig, zonder veel aarzelingen en/of langere pauzes. De kandidaat dient stressbestendig te zijn en te beschikken over een zodanige zelfredzaamheid, dat hij niet struikelt over een hem onbekend woord of begrip. De kandidaat dient in staat te zijn aantekeningen te maken, die hem helpen de vertolking juist en vloeiend te doen verlopen.

 

Beoordeling

Er zijn drie beoordelingscriteria, die in twee grote categorieën uiteenvallen: een inhoudscriterium (getrouwheid) en twee vormcriteria, die de kwaliteit van de verbale en de non-verbale communicatie betreffen (presentatie/tolkhouding en taalvaardigheid).

 

Hieronder volgt een nadere omschrijving van de globale criteria:

 

Getrouwheid: de inhoud van de brontekst wordt in de vertolking juist en volledig weergegeven.

 

Presentatie/tolkhouding: de vertolking wordt zodanig gepresenteerd dat ze voor alle toehoorders verstaanbaar en begrijpelijk is en geen aanleiding geeft tot irritatie bij de toehoorders. De kandidaat gedraagt zich zoals een professionele tolk zich dient te gedragen: hij is spreekbuis en dienstverlener, geen gesprekspartner.

 

Taalvaardigheid: het taalgebruik van de tolk dient te voldoen aan de lexicale en grammaticale conventies van de doeltaal in het algemeen en van het desbetreffende vakgebied in het bijzonder.

 

De examensubcommissie maakt tijdens het examen gebruik van het volgende beoordelingsschema:

 

 

 

 

 

 

Cijfermatig beoordelingsschema:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderdeel

A1

A2

                    A3 (gesprek)

 

(VT->NL)

(NL->VT)

A-taal (NL)

B-taal (VT)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Getrouwheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Presentatie / tolkhouding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Taalvaardigheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cijfer per onderdeel

0

0

0

 

(=eindcijfer vertikaal)

 

 

 

 

 

Het beoordelingsschema wordt gelijktijdig met de bekendmaking van de uitslag aan de kandidaat ter hand gesteld en in afschrift bij het overzicht van uitslagen ten behoeve van de onderwijsinstellingen gevoegd.

 

Om voor het examenonderdeel Tolken te slagen dient de kandidaat voor alle beoordelingscriteria tenminste een voldoende (= 5,5 of hoger) te halen. Cijfers lager dan 5,5 mogen in het schema niet voorkomen.  

 

 

1.                  Indien de kandidaat niet is geslaagd voor het examenonderdeel Tolken, maar voor één of meer van de examenonderdelen A1, A2 of A3 wél het gemiddelde eindcijfer 5,5 of hoger heeft behaald, waarbij ook in dat geval geen van de beoordelingscriteria lager dan een 5,5 mag zijn, wordt hem voor het desbetreffende onderdeel c.q. de desbetreffende onderdelen vrijstelling verleend. De geldigheidsduur van een vrijstelling bedraagt vijf kalenderjaren volgend op het jaar van uitgifte.

2.                  Alleen als de kandidaat geslaagd is voor het SNEVT -examen Tolk en hij voorts heeft voldaan aan alle door de instelling te stellen overige eisen, wordt hem door de instelling het HBO -getuigschrift Hoger Onderwijs Tolk uitgereikt, dat mede wordt ondertekend door of namens de voorzitter van de SNEVT -examencommissie.

3.                  In het geval zoals beschreven in het SNEVT Reglement Examen Tolk, artikel 22, lid 3, wordt het diploma uitgereikt als de kandidaat is geslaagd voor het SNEVT -examen Tolk.

 

Het examenonderdeel Maatschappijkennis (B):

Zie hiervoor de Richtlijnen voor het Nationale Examen Vertaler.

 

 

6.  EISEN TE STELLEN AAN HET EXAMENVERSLAG

 

1.         Elke examensubcommissie schrijft binnen een maand nadat zij de examenuitslag aan de examencommissie heeft bekend gemaakt, van elk examen een verslag.

2.         Het examenverslag bevat de volgende gegevens:

- Het aantal kandidaten dat aan het examen heeft deelgenomen, uitgesplitst naar de examenonderdelen;

            - het aantal kandidaten dat een volledig examen heeft afgelegd;

            - het aantal kandidaten dat slechts één of enkele examenonderdelen heeft afgelegd;

            - het aantal geslaagde kandidaten per examenonderdeel;

            - het aantal toegekende beoordelingen lager dan 5.

            - Een beschrijving van de gevolgde werkwijze bij de beoordeling van de

              vertolking c.q. het werkstuk. Indien het aantal beoordelaars om dwingende redenen

              afwijkt van het in artikel 2 van het Reglement Examen Tolk genoemde aantal, wordt vermeld waarom zulks is gebeurd.

- een korte beschrijving van de gehanteerde markering van fouten of bonuspunten, conform het in paragraaf 5 genoemde beoordelingsschema;

- een vermelding van de wijze waarop het uiteindelijke cijfer dat aan de

  examenwerkstukken is toegekend, tot stand is gekomen.

            - Een aantal opmerkelijke zaken in de door de kandidaten geleverde vertolking, zowel positief als negatief, die aanleiding kunnen zijn voor de opleidingen om er rekening mee te houden bij hun voorbereiding van de kandidaten op het examen.

3.         De examensubcommissie stuurt het examenverslag direct na gereedkomen op naar het examenbureau, dat zorgt draagt voor toezending aan de voorzitter van de examencommissie en aan de aangesloten instellingen.

 

Deze Richtlijnen treden in werking op 1 januari 2009, alle voorgaande Richtlijnen komen hiermee te vervallen.